Overvloedige beschikbaarheid van mechanische muziek stelt nieuwe eisen aan live-muziek
De belangstelling voor hedendaagse serieuze kunstmuziek zou afnemen. Maar het probleem reikt veel verder. Het live-concert in traditionele vorm is zelf in crisis. Alleen musici die tevens helden zijn, zullen in de toekomst het concertpodium bereiken. Het concert wordt een eredienst.
Door Robert Loeber
Twee kinderen komen onderweg naar school een draaiorgel tegen. Gegrepen door de muziek beginnen ze te dansen, en vergeten zo de tijd. Als de klok slaat, beseffen ze hun fout; de schooldeur is inmiddels dicht, en ze zullen straf krijgen. “Ach was die muziek niet gekomen, dan hadden ze hier niet gestaan. Het orgeltje speelde van hi ha ho hei, en de kindertjes huilden erbij.”
Mijn moeder zong soms dit weemoedige vooroorlogse liedje. Ik was het vergeten, totdat ik er aan werd herinnerd door het nieuws dat draaiorgels in Amsterdam niet langer welkom zijn. Winkeliers klagen over omzetverlies, omdat een draaiorgel het publiek uit de winkel wegjaagt. Het orgel mengt niet met de winkel-muzak. De overvloed van mechanische muziek maakt dat het ‘oubollige’ draaiorgel, eens een welkome gast, nu een vorm van overlast is geworden.
Naar verluidt verkeert de serieuze kunstmuziek in een crisis, omdat er steeds minder interesse voor bestaat. Ik denk dat het probleem veel omvangrijker is. Niet alleen de serieuze kunstmuziek is in crisis, maar de muziekuitvoering zelf is in crisis. Waarmee ik de traditionele vorm van muziekvoortbrengen bedoel: muziek als akoestische presentatie door musici in aanwezigheid van publiek, die zonder hulp van elektronische afspeelapparatuur gebonden is aan het hier en nu. In de ‘serieuze kunstmuziek’ is deze crisis alleen merkbaarder omdat dit genre, meer dan andere genres, gebonden is aan de live-uitvoering. De term ‘serieus’, of ‘ernstig’ zegt al dat er geconcentreerde aandacht vereist is. En die is alleen op te brengen door de toehoorder tijdelijk op te sluiten in een ruimte die geen uitweg biedt; het concert.
Maar opsluiten laat het publiek zich alleen vrijwillig. Via muziekapparatuur kunnen we ieder moment naar muziek luisteren. Het concert heeft zijn monopolie op muziekbeleving verloren. Er is dus een nieuwe legitimatie nodig voor live muziek. En die legitimatie kan alleen in de extra toegevoegde waarde bestaan die het concert biedt, boven het individueel luisteren naar mechanische muziek. Waarin onderscheidt het concert zich van mechanische muziekbeleving? In het feit dat er tijdens het concert andere mensen aanwezig zijn met wie men eenzelfde beleving deelt, en dat er musici aanwezig zijn die deze beleving oproepen. Het concert is voor de bezoeker een confrontatie met de ander; een confrontatie met de groep die ‘publiek’ heet, en een confrontatie met de musicus. Het live-concert is dus een groepservaring die geleid wordt door een of meer ‘voorgangers’.
Het concert lijkt daarmee sterk op een religieuze bijeenkomst, waarbij een grote groep mensen een gemeenschappelijke beleving heeft en ‘een gemeenschappelijk object van toewijding koestert’, zoals Erich Fromm het fenomeen religie definieert. (Psychoanalyse en Religie, 1971). Die ‘religieuze’ kant van het concert zal dus naar de voorgrond moeten treden, teneinde het concertbezoek toegevoegde waarde boven de mechanische muziekbeleving te verschaffen.
Live-muziek zal daarom steeds meer gepaard gaan met heldenverering. Want er is een ‘object van toewijding’ nodig dat het publiek gezamenlijk kan verheerlijken. Om het concert aantrekkelijk te maken moet het publiek een gemeenschappelijke mythe koesteren, en de musici, die op het podium letterlijk boven het publiek verheven zijn en als ‘heros’ (held) oftewel halfgod in de buurt komen van de goden, beschouwen als de helden van die mythe. “Ik ga bij het podium altijd zo dicht mogelijk bij John (Frusciante) staan”, zegt een mannelijke fan van de Red Hot Chili Peppers in een televisie-uitzending over Pinkpop. Een meisje vertelt: “John is mijn favoriet, want hij heeft door zijn drugsverslaving zo veel geleden.” In 2006 kwamen 65 duizend bezoekers naar Pinkpop voor een optreden van de Red Hot Chili Peppers. Dat het meisje John als haar held beschouwt en daarbij het woord ‘lijden’ gebruikt is veelzeggend. John heeft voor het meisje geleden in zijn zoektocht naar verlossing. Dat klinkt bekend.
Dat het concert zich steeds meer als eredienst ontwikkelt, hangt dus samen met de verstrekkende gevolgen van de technologische ontwikkelingen die het concert het monopolie op muziekbeleving hebben ontnomen. Muziek is overal en op elk moment te ervaren. Muziek kan sinds een jaar of vijftien via de computer worden geproduceerd zonder tussenkomst van musici, waardoor die teruggedrongen worden in hun rol als artiest. Muziek wordt tegenwoordig doorgaans individueel beleefd via ‘personal audio’, waardoor het gemeenschappelijke element van de concert-ervaring juist aan waarde wint. En muziek speelt een steeds grotere rol in de vorming van subculturen die zich via de media verspreiden zoals bijvoorbeeld gebeurt via MTV of TMF, en steeds meer ook via internet.
Muziek in overvloed
Ooit kon je genieten van een simpel draaiorgel. In de tv-serie De Oorlog vertelt een Duitse vrouw dat ze als 15-jarig meisje onder de indruk was van de Nazi partijdagen. “Er marcheerden fanfarekorpsen door de straat. We hadden nog maar net radio. Je hoorde nooit muziek.” Inmiddels is muziek een massaproduct, dankzij de oneindige repliceerbaarheid. Muziek is gecodeerd, eerst via een groef in een plaat, nu digitaal. Verspreid via internet is muziek van zijn laatste mogelijkheid tot schaarste ontdaan, namelijk van de geluidsdrager. Muziek heeft geen locatie en geen massa meer. Het is via cyberspace overal te ervaren op elk gewenst moment.
De economische wet luidt dat alles dat in overvloed aanwezig is, in waarde daalt. Muziek is zodoende van kostbaar juweel tot inwisselbaar behang geworden. In zijn Memoires schrijft Berlioz dat (rond 1830) mensen soms een concert moesten verlaten omdat ze ‘te aangedaan waren’. En dit schrijft Tolstoj in De Kreuzer Sonate, over het stuk waaraan het boek zijn titel ontleent: “In China is muziek een staatsaangelegenheid, en zo hoort het ook (…) Op mij had dit stuk een ontzettende uitwerking. Het leek, alsof mij totaal nieuwe gevoelens werden geopenbaard, nieuwe mogelijkheden, die ik tot dan toe niet had gekend.” In de trein kan je observeren hoe mensen naar hun ipods luisteren; ‘dromerig’ is misschien een toepasselijke term. En muziek die buiten de controle van de toehoorder valt, wekt wrevel op, zoals het ongewenste draaiorgel op straat.
Muzikale tijd is onttoverd
Dankzij de computer beheersen we de muzikale tijd. Muziek kan nu worden geproduceerd zonder tussenkomst van musici. In muziekproductie-software scroll je grafisch langs de muzikale tijd. Datgene waar traditioneel geen controle op was, de tijd als vierde dimensie, is gevangen in het frame van de tijdbalk op het beeldscherm. Timing kan worden aangepast. Moeilijke of onspeelbare passages zijn in steptime in te voeren. Muziek wordt nu gecreëerd zoals een schilder de twee dimensies van het doek gebruikt. De producer plakt en knipt het geluid in elkaar als een collage, heen en weer spoelend tussen heden, verleden en toekomst, zoals je een penseel van links naar rechts en boven naar beneden over het doek hanteert.
De muzikale tijd is dus een manipuleerbare dimensie van het platte vlak geworden. Socioloog Max Weber gebruikte de term ‘onttovering’ ten aanzien van de beleving van de wereld. Door de toenemende kennis tijdens de Verlichting kreeg de mens vat op zijn omgeving, en gingen de magische betekenissen verloren die tot dusver aan onbegrijpelijke fenomenen waren toegekend. Zo kan je ook stellen dat het verschijnsel ‘tijd’ dankzij de controle via de computer ‘onttoverd’ is. Speelautomaten zoals draaiorgel of carillon bestaan al lang. Maar voor het eerst overtroeft de digitale speelautomaat de live-uitvoering. Dance, het Tros-muziekfeest, reclamemuziek, filmmuziek of MTV; het aandeel van muziekvoortbrengende software is bij dit soort genres groter dan dat van de blazende, strijkende of drummende muzikant. Muziek hoeft niet meer ‘binnen’ de muzikale tijd zelf gespeeld te worden, maar wordt ‘buiten’ de muzikale tijd geconstrueerd. Dat is niet alleen veel makkelijker, het is ook veel goedkoper.
Muziek als medium voor nieuwe verzuiling
Het enorme aanbod van muziek en het groeiende aandeel van de media in onze werkelijkheidsbeleving dwingen tot een keuze. Niet de toevallige aanwezigheid van muziek richt nog de aandacht, maar de aandacht wordt gericht op specifieke soorten muziek, op specifieke codes in communicatie. De kennis van muzikale genres is enorm toegenomen, en er ontwikkelen zich in snel tempo nieuwe genres. Toch willen mensen maar enkele soorten muziek ervaren. De een kiest André Rieu, een ander Michael Brecker, en dat gaat nauwelijks samen.
Waarom kiezen mensen verschillende muziekgenres, en sluiten die elkaar vrijwel uit? Mythes die aan muziekgenres zijn gekoppeld beïnvloeden die keuze. Men zoekt muzikale helden en subculturen om zich mee te identificeren, zoals eerder voor een kerkelijke denominatie werd gekozen. Muziek is niet alleen klank, maar heeft een buitenmuzikale werkelijkheid. André Rieu draagt een klassiek rokkostuum, terwijl de Red Hot Chili Peppers beroemd werden door concerten in adamskostuum en een sok bij wijze van vijgenblad. Rieu is de held van het escapisme naar een nostalgisch zoet ideaal van prinsen, witte paarden en Sissi. De Chili Peppers verklaren juist de oorlog aan de gemiddelde conventies. Sex, drugs & funk als substituut-ontsnapping uit de dwang van de dagelijkse sleur.
Mensen hebben altijd in stamverband geleefd. De behoefte aan identiteit en identificatie met leiders is vandaag de dag niet minder dan vroeger. De ontkerkelijking en individualisering van de samenleving veroorzaken enkel een verschuiving in de manier waarop de behoefte aan gemeenschapszin tot uiting komt. De christelijke verzuiling is verdwenen. We zijn nu geen lid meer van de hervormde- of katholieke kerk, de Socialistische vereniging of de Nederlandse vereniging van huisvrouwen. Maar wel rijden er volgeladen bussen naar musicals en worden er in Ahoy massa-opera’s uitgevoerd. Het kamperen bij de socialistische dagen in Appelscha is vervangen door tentenkampen bij popfestivals als Lowlands en Pinkpop. En niet alleen trekt het publiek massaal naar muziekfestivals, ook thuis worden via muziek tijdelijke nieuwe helden gekozen in tv-programma’s als Idols, So you want to be a popstar en X-factor. Je kiest een favoriet, je instant-held voor het ogenblik, en vereenzelvigt je met zijn of haar succes. Via de muzieksite Sell a Band kunnen toekomstige sterren aandelen in hun toekomstige album verkopen aan mensen die in de artiest geloven, die dan ook letterlijk ‘believers’ worden genoemd.
Van confrontatie naar rituele herkenning
Het huidige publiek van het gemiddelde concert kent de muziek doorgaans al goed, omdat die via mechanische weg al eerder is beleefd. Men bezoekt het concert juist omdat men de muziek en het levensverhaal van de musicus kent. Dat is nieuw. Vóór de komst van mechanische muziek hoorde je tijdens het concert de muziek meestal voor het eerst en waarschijnlijk voor het laatst, en was het concert een confrontatie met het onbekende. Kenmerkend voor die letterlijk ongekende ervaring is de enige geboekstaafde reactie van een vrouw na de première van de Matthäus Passion: “Wat zal dit voor gevolgen hebben? God sta ons bij, kinderen! Alsof men bij een komische opera aanwezig was.” (in Blanning, 2008: The Triumpf of Music).
Tegenwoordig weet je al wat er tijdens een concert gespeeld zal worden. Dus vormt het concert een bevestiging van verwachtingen, eerder een ‘confirmatie’ dan een confrontatie. De nadruk verschuift zodoende van de auditieve beleving naar de rituele beleving. Zoals men in de kerk het Onze Vader opzegt, zo zingt het publiek mee met de hits van Marco Borsato, en reageert men als ‘gemeente’ op de opzettelijk voorspelbare uitingen van de artiest: “Say yeahhh!” Publiek: “Yeahhh”.
De musicus als priester of messias
Zo blijkt dat de betekenis en het doel van het concert een nieuwe nadruk krijgt. Om toegevoegde belevingswaarde boven de al bekende mechanische muziek te scheppen, benadrukt het concert steeds meer de gemeenschappelijke groepservaring, en krijgt het al meer het rituele karakter van een eredienst. Het publiek aanbidt de held en ook datgene waar hij of zij voor staat. De musicerende artiest plaatst zich in de rol van priester of messias om zijn optreden te legitimeren. De huidige deejay is daarin al ver gevorderd. Frankie Knuckles, de uitvinder van de house, legde eind jaren tachtig al een verband tussen de house, die afgeleid is van zwarte gospelmuziek, en de deejay als priester van de dansende ‘gemeente’. Tijdens een optreden zien we deejay Tom Holkenborg in de hoedanigheid van zijn rol als Junkie XL het publiek opzwepen door te springen en gebaren te maken die het publiek kan overnemen. Het draaien en schuiven aan knoppen gebeurt met uitvergrote, feitelijk overbodige, bewegingen alsof een magiër aan het werk is. Belangrijker dan het muziekmaken zelf is hier dus het theatraal opzwepen van het publiek.
Ook Marco Borsato heeft een haast messiaanse rol aangenomen. Hij bracht een single uit met de titel Lopen op het water, is ambassadeur van War Child, en acteerde in de film Wit Licht. Het nummer Because we believe bevat de volgende passage: “Luister naar de zon / Hij roept je naam / Dit is jouw moment / Dus ga nu maar staan / En wees niet bang voor het licht / Dat je voelt op je gezicht / ‘t Is echt bedoeld voor jou.” Vervang ‘de zon’ door ‘god’, en we hebben met een ondubbelzinnig religieuze tekst te maken.
Steeds meer artiesten gebruiken hun levensstijl als boodschap. Frans Bauer laat zijn dagelijks leven filmen om te tonen dat ‘gewoon zijn’ een levensdoel kan zijn. Zijn volgelingen zetten hun held op een voetstuk, juist omdat hij ‘heel normaal is gebleven’ en daarmee bevestigt dat onbetekenend zijn betekenisvol is. Marilyn Manson, een groep waarvan de naam is afgeleid van Marilyn Monroe en seriemoordenaar Charles Manson preekt omgekeerd juist het abnormale en afwijkende als levensstijl. En de naam van de groep Rammstein is afgeleid van de plaats Ramstein waar twee vliegtuigen tegen elkaar botsten. Rammstein haalt inspiratie voor teksten uit rampen en misdaden.
Een verschil met een werkelijke godsdienst is dat het onduidelijk blijft waarin men gelooft en wat er precies wordt gepreekt. De tekst van Because we believe brengt op ambigue wijze het geloof in het licht in verband met het geloof in jezelf om te kunnen stralen als een ster. Borsato verkondigt dus geloof in de ontplooiing van eigen mogelijkheden. Ook in de dance is vertrouwen in de importantie van het individu de kern. Neem bijvoorbeeld de tekst van een van de beroemdste dancenummers The Power: “I’ve got the power, uh …I’ve got the power …I’ve got the power, wa-wa-wh…I’ve got the power, woah-oh-…” (enzovoort). De muziek werd een hit dankzij deze leus als ‘hook’. In de videoclip ‘preekt’ artiest Snap van achter een katheder zijn boodschap. De grootste hit van André Hazes, muziek die ook tijdens diens uitvaart een sleutelrol vervulde, was Zij gelooft in mij.
Vergeleken met het traditionele christendom zijn dit soort teksten een manifestatie van een ‘omgekeerd’ geloof. Van calvinistische zelfhaat, – de mens als zondige zandkorrel in de schepping – , tot de ophemeling van het eigen individuele ik. Blijkbaar hebben velen zo’n oppepper nodig, misschien juist omdat zij zichzelf ‘ongezien’ voelen bij gebrek aan contact met een ‘werkelijke’ God.
Muzikaal heldendom als historische ontwikkeling
Muzikaal heldendom bestaat sinds de romantiek, maar de verheerlijkingscultus wordt allengs heviger. Na een oorspronkelijke status van bediende voor kerk en koning kregen componisten een heldenrol toegemeten, toont Tim Blanning in The Triumpf of Music (2008). Blanning, maar ook Carl Dahlhaus (The idea of Absolute Music, 1989) stellen beiden dat kunst eind negentiende eeuw een vorm van substituut religie werd toen de vanzelfsprekende legitimiteit van godsdienst in het gedrang kwam.
Zo was Richard Wagner tijdens zijn leven, en vooral na zijn dood, een bewierookte held met mythische proporties. Gabriël Fauré beschrijft in de essaybundel Les Rendez-Vous Italiens (1933) zijn pelgrimstocht naar het paleis van de prinses van Wittgenstein in Venetië, waar Wagner stierf, vlak nadat deze de laatste akkoorden van Parsifal zou hebben neergeschreven, en hoe Luigi, Wagners vaste gondelier, bittere tranen plengt om het overlijden van ‘le maître’.
In de zomer van 2009 plengen miljoenen mensen bittere tranen vanwege het overlijden van Michael Jackson. Zijn verscheiden vormt de opening van het acht uur journaal. En van alle andere journaals over de hele wereld. Overal worden concerten en documentaires uitgezonden. Op de Dam in Amsterdam ontstaat een spontane rouwbijeenkomst van Jacksonfans. Een volwassen vrouw zegt tegen de camera dat ze op haar werk dermate door verdriet werd overmand dat ze toestemming kreeg om vrij te nemen, en naar de Dam is gegaan. “Mijn collega’s zeiden ‘ga maar naar waar je denkt dat je moet zijn’.” Van de repetities voor het nooit gehouden laatste concert van Jackson is een film gemaakt. Er is zoveel behoefte om alsnog ‘live aangeraakt’ te worden door de overledene, dat het publiek zelfs met een filmversie van een nooit uitgevoerd concert genoegen neemt; Jacksons overlijden heeft van hem een werkelijke heilige gemaakt.
Creëer een cultus
Zullen er over vijftig jaar nog ‘gewone’ concerten bestaan waar luisteren naar muziek het primaire doel is? Ik betwijfel het. Om muziek te horen hoeven we de deur niet meer uit. Er is een andere noodzaak nodig om er op uit te trekken voor muziek. Live muziek krijgt weer de ondersteunende functie die het ooit had. Bij bruiloften, begrafenissen, braderieën en bloemencorso’s verhevigen muzikanten misschien nog wel de stemming, maar dat is dan ‘muziek in context’, waarbij het publiek niet omwille van de muziek aanwezig is. Concerten worden echter kerkdiensten voor nieuwe helden en onder leiding van nieuwe priesters. Wie als musicus nog publiek wil trekken, zal een cultus rond zichzelf moeten creëren. Dat is niet nieuw, het is alleen nog meer dan vroeger noodzakelijk om het publiek te verleiden.
‘In de ’serieuze kunstmuziek’ is deze crisis alleen merkbaarder omdat dit genre, meer dan andere genres, gebonden is aan de live-uitvoering.’
Nog meer gebonden aan de live-uitvoering dan jazz, een genre dat (waarschijnlijk gemakshalve) in het bovenstaande betoog onvermeld blijft? En dat popmuziek enkel en alleen berust op heldenverering getuigt van een beperkte visie op dit genre. Alsof popmuziek slechts bestaat uit pophelden.
‘En muziek speelt een steeds grotere rol in de vorming van subculturen die zich via de media verspreiden zoals bijvoorbeeld gebeurt via MTV of TMF, en steeds meer ook via internet.’
Subculturen binnen de (pop)muziek bestonden al ver vóór het bestaan van MTV, TMF en internet.
‘Zullen er over vijftig jaar nog ‘gewone’ concerten bestaan waar luisteren naar muziek het primaire doel is?’
Natuurlijk wel, alleen al vanwege factoren die thuis niet te reproduceren zijn, zoals de locatie (en de bijbehorende akoestiek) en het directe contact met muzikanten en/of componisten.